Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001
Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD6098.
2.2 In de aan het arrest voorafgegane conclusie van de A-G Hartkamp werd art. 3:296 BW centraal gesteld, dat bepaalt dat hij die jegens een ander verplicht is iets te doen, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, wordt veroordeeld. De keerzijde daarvan is dat een veroordeling slechts kan worden uitgesproken indien de gedaagde jegens de eiser verplicht is tot de handeling waarop de (vordering en de) veroordeling betrekking heeft, hetgeen ook geldt voor een vordering tot stellen van zekerheid in kort geding. Vervolgens zette de A-G uiteen dat voor de gebruiker van het bedrijfspand niet alleen geen wettelijke of contractuele verplichting bestond om de verlangde zekerheid te stellen, maar dat deze verplichting ook niet was ontstaan door diens toezegging ter zitting:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9dbd67820196045f6be9a6601449c9ec902c7a987299816f01da17d168cffde9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9dbd67820196045f6be9a6601449c9ec902c7a987299816f01da17d168cffde9, en de alinea staat in dat document op bytes 12327 tot 13130.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9dbd67820196045f6be9a6601449c9ec902c7a987299816f01da17d168cffde9 | shasum -a 256