Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD6098.

2.14 Ook als men de postcontractuele verhouding tussen partijen wél in zijn overwegingen betrekt, is de slotsom tegen deze achtergrond naar mijn mening geen andere. De vraag waartoe de aanvullende werking van maatstaven van redelijkheid en billijkheid bij een gebleken leemte in de tussen partijen overeenkomst gesloten overeenkomst strekt(15) - al aangenomen dat hier van een leemte sprake is - is mede afhankelijk van de aard van de overeenkomst, dienaangaande bestaande gebruiken en algemeen erkende rechtsbeginselen. Nog daargelaten dat dienaangaande niets specifiek is gesteld, valt niet in te zien waarom de aard van de aannemingsovereenkomst tot een dergelijke bijzondere maatregel zou verplichten. Over dienaangaande bestaande gebruiken is niets gesteld. De algemeen erkende rechtsbegin-selen van autonomie en gelijke verdeling naar evenredigheid van ieders vordering, wijzen zelfs juist in tegengestelde richting. Indien tegen deze achtergrond al ooit een plicht op een wanpresterende contractant rust om zekerheid te stellen voor het bedrag van de aannemelijk te achten schade, moet naar mijn mening worden aangenomen dat daarvoor slechts ruimte is onder zeer bijzondere omstandigheden, die in het onderhavige geval onvoldoende zijn gesteld of gebleken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9dbd67820196045f6be9a6601449c9ec902c7a987299816f01da17d168cffde9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9dbd67820196045f6be9a6601449c9ec902c7a987299816f01da17d168cffde9, en de alinea staat in dat document op bytes 26413 tot 27690.