Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2001

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3639.

2.6 In het licht van deze wetsgeschiedenis faalt de klacht. Blijkens rov. 4.1 heeft het hof bij de beoordeling van het verzoek de regel van art. 253t, derde lid, BW vooropgesteld. De vader heeft nauwelijks iets anders aan zijn verweer tegen het verzoek ten grondslag gelegd dan het niet goed lopen van de omgangsregeling in het verleden en zijn gebrek aan vertrouwen in de medewerking van de moeder aan de omgangsregeling voor de toekomst. Het hof heeft dit belang van de vader meegewogen, maar heeft dit enkele feit onvoldoende geacht voor afwijzing van het verzoek. Aldus oordelende is het hof uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Voor het overige hangt zijn oordeel samen met overwegingen van feitelijke aard die zijn voorbehouden aan de feitenrechter. Zijn oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5d737cbaef71f630d314d05d3398bcfb195041a077d872daa8f4f98d78c0af4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5d737cbaef71f630d314d05d3398bcfb195041a077d872daa8f4f98d78c0af4a, en de alinea staat in dat document op bytes 19343 tot 20157.