Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2001
Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juli 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3673.
2.6 Het feit dat van vaste rechtspraak kan worden gesproken, zou mij niet ervan hebben weerhouden [eiser] toch ontvankelijk te achten in zijn beroep als in het onderhavige geval sprake zou zijn geweest van een cumulatie van fouten van de kant van de rechtbank en de griffie. Ik heb daarbij het oog op die gevallen(12) waarin de gefailleerde redelijkerwijs niet kon weten dat de rechtbank een beschikking had gewezen (doordat de rechtbank aan het slot van de mondelinge behandeling geen datum van uitspraak bekend heeft gemaakt of zich daaraan niet heeft gehouden) en de griffie deze beschikking pas na afloop van de beroepstermijn aan de gefailleerde heeft doen toekomen. Toepassing van vorenbedoelde rechtspraak ook in dergelijke gevallen, acht ik onaanvaardbaar streng. Een versoepeling naar het model van art. 6:11 Abw, dat in 1990 nog niet bestond, zou dan mijns inziens gewenst zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2da3c8eaa28ff1f19c515b47b8ab05f2a76545c9cd23d41b0cf9dddc6885aad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2da3c8eaa28ff1f19c515b47b8ab05f2a76545c9cd23d41b0cf9dddc6885aad, en de alinea staat in dat document op bytes 12587 tot 13488.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2da3c8eaa28ff1f19c515b47b8ab05f2a76545c9cd23d41b0cf9dddc6885aad | shasum -a 256