Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2001
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3686.
2.5 Op grond van art. 2004 BW(oud) geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn van een vordering begint te lopen op het ogenblik waarop de verbintenis opeisbaar wordt, ongeacht of de schuldeiser op dat moment reeds met het bestaan van de verbintenis bekend is6. Voor wat betreft vorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad valt dit tijdstip volgens de Hoge Raad samen met het moment waarop de verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. Voor dit ontstaan is vereist dat naast de overige vereisten van art. 1401 BW(oud) ook is voldaan aan het vereiste dat schade is geleden. Met het intreden van de schade wordt de vordering opeisbaar en gaat de verjaringstermijn derhalve lopen. Daarbij is niet noodzakelijk dat de omvang van de schade alsdan reeds is komen vast te staan7.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c7d758aa5497ec8636178ef813f28c85325aafeb542fa318656fd3f44fb3d3ce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c7d758aa5497ec8636178ef813f28c85325aafeb542fa318656fd3f44fb3d3ce, en de alinea staat in dat document op bytes 14350 tot 15159.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c7d758aa5497ec8636178ef813f28c85325aafeb542fa318656fd3f44fb3d3ce | shasum -a 256