Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001

Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3695.

2.3 Het subonderdeel faalt reeds omdat het hof in de stellingen van de man kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft gelezen, dat de door hem ingeroepen overeenkomst langs deze weg tot stand zou zijn gekomen.3 In de pleitnotities van de man voor het hof wordt weliswaar een betoog gehouden waarin men, met goede wil, mede de thans door het middel aangedragen stelling zou kunnen lezen, maar die passage is niet zo ondubbelzinnig dat onbegrijpelijk is dat het hof dit niet heeft gedaan, nog afgezien van het feit dat het subonderdeel niet een klacht in die zin bevat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c9d939bfc0a191b43f8d78fae81c960ded3751033a8d4b2d62f3e5d6b99458be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c9d939bfc0a191b43f8d78fae81c960ded3751033a8d4b2d62f3e5d6b99458be, en de alinea staat in dat document op bytes 13594 tot 14176.