Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2001
Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2023.
17. Het middel berust op de stelling dat voor deelneming in de zin van art. 140 Sr in een geval als het onderhavige is vereist dat verzoeker in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van valsheid in geschrift. Voor die stelling is evenwel geen steun te vinden in het recht. In het in de toelichting op het middel genoemde arrest van Uw Raad van 18 november 1997, NJ 1998, 225 m.nt. JdH heeft Uw Raad immers geoordeeld dat voor deelneming in de zin van art. 140 Sr voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat wetenschap bij de betrokkene van één of meer concrete misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht niet is vereist.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4dbca10320ee62df480d05d229cbc9762482eda1e21bb6cde3654987f07c6cb5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4dbca10320ee62df480d05d229cbc9762482eda1e21bb6cde3654987f07c6cb5, en de alinea staat in dat document op bytes 19293 tot 20100.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4dbca10320ee62df480d05d229cbc9762482eda1e21bb6cde3654987f07c6cb5 | shasum -a 256