Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 106 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2513.

49. Met behoud van de principiële betekenis van het arrest van de vierde kamer meen ik in het voorgaande voldoende aangegeven te hebben waarin deze uitspraak valt te nuanceren en op welke themata valt te variëren. Onbesproken zijn nog vele andere aspecten die zich in de loop der tijd kunnen en ongetwijfeld zullen voordoen, waarvan ik alleen maar noem: wat is rechtens indien de rechter een groter activisme inzake de waarheidsvinding aan de dag gaat leggen, en meer dan thans partijen zou dwingen bewijs te produceren omtrent de waarheid,3 welke bewijs van incriminerende aard blijkt te zijn?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8, en de alinea staat in dat document op bytes 46902 tot 47511.