Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2513.

Deze vraag moet naar het oordeel van de Hoge Raad ontkennend worden beantwoord. Art. 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voorziet in het recht op een eerlijk proces in de procedures over burgerlijke rechten en verplichtingen. In dit begrip eerlijk proces ligt besloten, en de naar intern Nederlands recht geldende eisen van een goede procesorde in burgerlijke zaken brengen mee, dat partijen alle feiten en omstandigheden, welke naar hun inzicht van belang kunnen zijn voor de beslissing van hun geschil, vrijelijk ter kennis van de rechter moeten kunnen brengen. Partijen zouden daarin worden belemmerd indien zij rekening ermee zouden moeten houden dat het de rechter vrijstaat om, zo hij in het hem medegedeelde een begaan strafbaar feit ontwaart, daarvan desgeraden aangifte te doen aan de officier van justitie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8, en de alinea staat in dat document op bytes 7858 tot 8749.