Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 86 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2513.

30. Het algemene belang van de waarheidsvinding ook in civilibus staat naar mijn mening niet toe dat partijen zonder strafrechtelijke consequenties kunnen proberen hun zaak te winnen door te trachten de rechter te beduvelen middels met het oog op de civiele procedure vervalste of vals opgemaakte papieren. Dit belang is zodanig groot, dat het niet aan de wederpartij moet worden overgelaten om daarvan aangifte te doen, maar dat het de rechter zelf is die - de ernst van het gebeurde afwegend in het licht van art. 28a RO - op de voet van art. 161 Sv gerechtigd is aangifte te doen. Steun hiervoor vind ik ook in het bovengenoemde standpunt van de NVvR in punt 7 en in het vervolgartikel van Grauss e.a., waarin verslag wordt gedaan van een vergelijkbare zaak voor de bestuursrechter te Breda (Trema 1999, p. 19). Zie ook W.D.H. Asser, Bewijsrechtelijke aspecten van privacy en verzekering, waar hij schrijft dat ook in Nederland steeds meer het besef begint door te dringen dat partijen in het civiele proces loyaal moeten meewerken aan het boven tafel brengen van de waarheid en dat partijen niet `straffeloos' kunnen liegen of de waarheid kunnen verzwijgen (Verkeersrecht 1999, p. 2 r.k.).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8, en de alinea staat in dat document op bytes 34922 tot 36128.