Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Alinea 92 Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2513.

36. Behalve dat [C B.V.] een tegenvordering heeft ingediend op basis van een bewering die uit de duim gezogen, dan wel uit de lucht gegrepen was, was haar tegenvordering ook gebaseerd op eigen wetsovertredend gedrag: de bewering van onverschuldigde betaling kon alleen bestaan bij gratie van de valsheid van facturen, welke valsheid door [C B.V.] was geïnstigeerd. Dit levert het probleem op van het beginsel `nemo auditur turpitudinem suam allegans', zoals de annotator onder het arrest van de vierde kamer het formuleert. Naar ik aanneem heeft de vierde kamer dit beginsel echter onder ogen gezien en onvoldoende gewichtig gevonden bij de afweging van het belang van de openheid van de gedingvoering. Naar mijn mening behoeft dit echter niet zover te gaan, dat wie met zijn vordering - die in strijd met de waarheid is en alleen maar kan worden onderbouwd met de erkenning misdrijven te hebben gepleegd - de wederpartij uitnodigt om de onjuistheid van die vordering te bewijzen met documenten waaruit die misdrijven blijken, fluitend de civiele rechtszaal kan verlaten. Ook in dit geval zou ik menen dat de noodzaak tot mededeling (niet aan willekeurige derden maar wel:) aan het bevoegd gezag uit de taak van de rechter voortvloeit, nl. uit zijn verantwoordelijkheid voor de waarheidsvinding. Ook hier acht ik dus de uitzondering van art. 28a RO in samenhang met art. 161 Sv de grondslag voor het optreden van de rechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4fae52558afedc7dcb7b1a69d33aaa49a42a7c0dad56ab3b3acfa5857ed755d8, en de alinea staat in dat document op bytes 39369 tot 40807.