Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 september 2001

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 25 september 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2770.

3.8. Het vorenstaande brengt mee dat de rechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een vordering tot wijziging van de ontnemingsvordering zich alleen de vraag moet stellen of door die wijziging de band met de vervolging in de hoofdzaak, waarvan de behandeling van de ontnemingsvordering immers een sequeel is, niet wordt verbroken. Ik denk aan het geval dat iemand wordt verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder delicten waarop een geldboete van vierde en vijfde categorie is gesteld. De officier heeft al een strafrechtelijk financieel onderzoek gevoerd en kondigt een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan. De verdachte wordt vrijgesproken van alle feiten waarop een geldboete van vijfde categorie is gesteld. De officier dient een ontnemingsvordering in, gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr. Op de terechtzitting vraagt de officier een wijziging van de vordering. Verdachte is inmiddels door een andere rechtbank voor een totaal ander feit waarop wél een geldboete van vijfde categorie is gesteld, veroordeeld. De officier wil nu ook voordeel op de voet van het derde lid van art. 36e Sr gaan ontnemen en verwijst naar die andere veroordeling. Zo een wijziging zou de band met de oorspronkelijke veroordeling doorsnijden. De vordering zou dan buiten de grenzen van art. 36e Sr worden gevoerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9bc0effd2aae4fbb82564173ebe8e32839c3665a7aa9f7adaaa79693344570a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9bc0effd2aae4fbb82564173ebe8e32839c3665a7aa9f7adaaa79693344570a, en de alinea staat in dat document op bytes 17026 tot 18379.