Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 september 2001

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 25 september 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2770.

3.10. Zuiver ten overvloede wil ik hier opmerken dat er op zichzelf - dus los van de vraag of een vordering tot wijziging in zijn algemeenheid geboden is - in het onderhavige geval geen noodzaak bestond om de grondslag voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op deze wijze uit te breiden. Verzoeker is immers veroordeeld voor het dwingen van vrouwen tot prostitutie (feit 1) en het naar Nederland brengen van andere vrouwen om hen tot prostitutie te brengen (feit 2). Verzoeker heeft inkomsten verworven door vrouwen tot prostitutie te dwingen. De inkomsten die de vrouwen die vrijwillig in de prostitutie hebben gewerkt hebben verworven na in Nederland te zijn aangekomen, zijn deels afgestaan aan verzoeker. Naar mijn mening kunnen ook deze inkomsten van verzoeker als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt, namelijk als door middel van het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit verkregen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d9bc0effd2aae4fbb82564173ebe8e32839c3665a7aa9f7adaaa79693344570a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d9bc0effd2aae4fbb82564173ebe8e32839c3665a7aa9f7adaaa79693344570a, en de alinea staat in dat document op bytes 20914 tot 21857.