Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2001

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2836.

10. Uit het proces-verbaal van de zitting bij het Hof blijkt niet dat een dergelijk verweer met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding is gevoerd. Evenmin kan uit hetgeen het Hof heeft vastgesteld worden afgeleid dat er ten aanzien van verdachte onduidelijkheid bestaat over de vraag of hij een of meer vuurwapens voorhanden had: volgens de bewijsmiddelen had hij een revolver. De enkele omstandigheid dat de medeverdachte met twee vuurwapens bij zijn nichtje is gekomen, toen hij haar vroeg om de wapens die hij bij zich had te verbergen en dat niet duidelijk is welk van die twee wapens verdachte in zijn bezit heeft gehad, maakt de tenlastelegging niet onduidelijk. Duidelijk blijft dat hij één vuurwapen voorhanden had. Er is dan ook geen reden de dagvaarding nietig te verklaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e52bfa3678249f227c5f54765ca5e230931fd9bb7ade0fa454c35a18ab6c392e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e52bfa3678249f227c5f54765ca5e230931fd9bb7ade0fa454c35a18ab6c392e, en de alinea staat in dat document op bytes 6528 tot 7337.