Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 november 2001
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 16 november 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD3019.
4.7 In casu bestaat de hier nog van belang zijnde schade uit de waardedaling van het overblijvende gedeelte. Met deze schade dient ingevolge art. 41 Onteigeningswet rekening te worden gehouden bij het bepalen van de schadeloosstelling. De Staat betoogt dat de onteigende zijn aanspraak op vergoeding van deze schade verliest door het in 4.2 beschreven aanbod van de Staat tot overname van het niet onteigende gedeelte te weigeren.(6) Ik zie in beginsel geen reden om dit gevolg aan de weigering van mr. Verster te verbinden, aangezien het aanbod van de Staat slechts strekt tot vergoeding in geld, en zich in feite van een 'normale' schadeloosstelling slechts onderscheidt door twee bijkomende elementen, nl. de verhoging van de schadeloosstelling met de resterende waarde van het overblijvende gedeelte in ruil voor overdracht van dat gedeelte. Desalniettemin moet worden toegegeven dat door de overdracht van het overblijvende gedeelte aan de Staat tegen de waarde die het, als deel van het gehele perceel, voorafgaande aan de onteigening had, de schade bestaande uit de waardevermindering wordt voorkomen. Het aanbod van de Staat kan dan ook als een schadevoorkomend aanbod worden aangemerkt. U vergelijke uw arrest van 9 mei 1963, nr. 698(7), waarin u overwoog dat het aanbod van de Staat om het overblijvende gedeelte over te nemen strekte tot volledige voorkoming van de schade bestaande uit de waardevermindering van dat gedeelte, zodat geen recht bestond op vergoeding daarvan. In dat arrest stond echter vast dat de onteigende partij dat overblijvende gedeelte binnenkort zou moeten afstaan in het kader van een onteigening. In de onderhavige zaak betreft het een aanbod tot overname van het na onteigening overblijvende gedeelte waarvoor geen titel tot onteigening bestaat. In zo'n geval is naar mijn mening geen sprake van een redelijk aanbod dat vermindering van de schadeloosstelling ter zake van de waardevermindering van dat overblijvende gedeelte rechtvaardigt. Indien met het bod rekening zou worden gehouden bij de berekening van de door de rechter toe te kennen schadeloosstelling zou dit immers neerkomen op een verkapte - en daarmee, bij gebreke van een geldige titel tot onteigening - oneigenlijke onteigening van het overblijvende gedeelte. De eigenaar wordt door de dreiging van verlies van zijn schadeloosstelling ter zake van de waardedaling van het overblijvende gedeelte, gedwongen om in te gaan op het aanbod om het na onteigening overblijvende deel van zijn eigendom te vervreemden. Dat nu kan niet worden aanvaard aangezien de waarborgen van de onteigeningsprocedure, waaronder de voorwaarde dat onteigening slechts plaatsvindt indien het publieke belang dat vordert, op deze wijze zouden worden ontlopen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ea71fb9b2cd7294842cf3082e189e23e61af3349db4aa37b8573a0404e7efc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ea71fb9b2cd7294842cf3082e189e23e61af3349db4aa37b8573a0404e7efc0, en de alinea staat in dat document op bytes 17186 tot 19936.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2ea71fb9b2cd7294842cf3082e189e23e61af3349db4aa37b8573a0404e7efc0 | shasum -a 256