Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002
Alinea 91 Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AB2856.
5.7 De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten te beoordelen wat als redelijke heffing moet worden aangemerkt. Daarbij kan worden aangenomen dat de Nederlandse heffing ex art. 15b Wet Vpb 1969 ten laste van een financieringslichaam naar Nederlandse maatstaven redelijk is, zodat ook voor een elders vigerend vergelijkbaar speciaal fiscaal regime voor vergelijkbare financieringslichamen geldt dat het redelijk is indien het financieringslichaam, indien het in Nederland was gevestigd, aanspraak zou kunnen maken op het regime van art. 15b Wet Vpb 1969, en het buitenlandse regime niet 'in enigszins belangrijke mate' gunstiger uitvalt. De Staatssecretaris lijkt met de uitdrukking 'in enigszins belangrijke mate' aansluiting te zoeken bij hetzelfde criterium in art. 15b, lid 8, onderdeel d, ten 1e Wet Vpb 1969, zodat een marge van 15% ten opzichte van de Nederlandse heffing kennelijk volgens hem acceptabel is.(17)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff06c5840517b26b3986c3af126699fc79ee623831b1b98e05ffe9fc8afe8d1b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff06c5840517b26b3986c3af126699fc79ee623831b1b98e05ffe9fc8afe8d1b, en de alinea staat in dat document op bytes 44921 tot 45858.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ff06c5840517b26b3986c3af126699fc79ee623831b1b98e05ffe9fc8afe8d1b | shasum -a 256