Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002
Alinea 101 Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AB2873.
56. Daarbij gaat de steller van het middel er aan voorbij dat de advocaat-generaal zich blijkens het proces-verbaal der terechtzitting op het standpunt heeft gesteld dat er in het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en 's Hofs terechtzitting een (lichte) overschrijding van de redelijke termijn gelegen was, die naar zijn inzicht tot uitdrukking kon komen in de op te leggen straf. Aangezien in eerste aanleg een gevangenisstraf van twintig maanden is geëist, tegen het vonnis waarbij een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, is opgelegd alleen door verzoeker hoger beroep is ingesteld, en de vordering van de advocaat-generaal inhield dat een lagere straf zou worden opgelegd dan in eerste aanleg bepaald, is het - mede met het oog op diens in het proces-verbaal der terechtzitting weergegeven standpunt ten aanzien van de duur van de procedure in hoger beroep - aannemelijk dat ook de advocaat-generaal in zijn strafeis rekening heeft gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff3b65289b7020f28f518d0070040cdee90cc3c37f1068e9d082d0c2ca02f7eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff3b65289b7020f28f518d0070040cdee90cc3c37f1068e9d082d0c2ca02f7eb, en de alinea staat in dat document op bytes 41769 tot 42833.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ff3b65289b7020f28f518d0070040cdee90cc3c37f1068e9d082d0c2ca02f7eb | shasum -a 256