Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AB2873.

9. Onbegrijpelijk acht ik 's Hofs oordeel voorts niet, in aanmerking nemend dat de tenlastelegging onder 1 een voldoende feitelijke omschrijving bevat van de voorbereidingshandelingen, als bedoeld in art. 10a Ow, die verdachte gesteld zou hebben, alsmede een begrijpelijke aanduiding van de strafbare feiten waarop die handelingen gericht zouden zijn. Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde acht ik 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat in een op art. 140, eerste lid, Sr gestoelde tenlastelegging het woord 'deelneming' mede feitelijke betekenis toekomt (vgl. HR NJ 1999, 205), die tenlastelegging slechts behoeft aan te geven op welke misdrijven het oogmerk van de organisatie was gericht, en niet vereist is dat de misdrijven worden genoemd die in het organisatorisch verband daadwerkelijk zijn gepleegd (vgl HR 6 juli 1999, griffienr 110.730), en voorts dat in deze tenlastelegging is vermeld uit welke personen de organisatie bestaan zou hebben.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff3b65289b7020f28f518d0070040cdee90cc3c37f1068e9d082d0c2ca02f7eb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff3b65289b7020f28f518d0070040cdee90cc3c37f1068e9d082d0c2ca02f7eb, en de alinea staat in dat document op bytes 8232 tot 9236.