Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2002

Alinea 61 Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD4932.

2.17 Met onderdeel 2 ben ik van mening dat [verweerder] hier meer als crediteur van een gepretendeerde vordering op het onder bewind gestelde vermogen optreedt dan in zijn hoedanigheid van zoon van rechthebbende. De hier gemaakte kosten zouden evengoed kunnen zijn gemaakt door een ander die zich de belangen van [verzoekster] had aangetrokken. Dit brengt mee dat niet kan worden gezegd dat [verweerder] in deze optreedt in zijn hoedanigheid van een naaste bloedverwant als genoemd in art. 798 lid 2 Rv. De aangewezen weg om een vordering geïnd te krijgen uit een onder bewind gesteld vermogen is deze vordering in te dienen bij de bewindvoerder en, mocht deze betaling weigeren, een (dagvaardings)procedure te starten(26). Onderdeel 2 treft eveneens doel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/68fd04f534c2c0f5d052eb88af8a46f03ce2c445423cdee0c8f25efb42579199. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 68fd04f534c2c0f5d052eb88af8a46f03ce2c445423cdee0c8f25efb42579199, en de alinea staat in dat document op bytes 27560 tot 28330.