Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 januari 2002

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 18 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD4939.

2.13 In de aangevochten rov. 2.5 ligt kennelijk ook besloten dat, afgezien van de door het hof vastgestelde pluraliteit van schuldeisers, summierlijk is gebleken van overige feiten en omstandigheden die het oordeel dat [verzoekster] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, (mede) kunnen dragen. Welke die overige feiten en omstandigheden zijn, vermeldt het hof echter niet, alhoewel - zoals in de schriftelijke toelichting van mr. P. Memelink namens [verweerder] wordt opgemerkt - de stukken mogelijk wel aanknopingspunten voor de vaststelling van zulke feiten en omstandigheden bieden.(11) Door niet uitdrukkelijk te vermelden welke feiten en omstandigheden zijn oordeel dat [verzoekster] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen (mede) dragen, heeft het hof zijn beslissing niet naar de eis der wet gemotiveerd. Die eis sluit immers in "dat de rechter in zijn vonnis met voldoende bepaaldheid aangeeft de feiten die hij aan zijn rechtsbeslissing ten grondslag heeft gelegd".(12) Ook in zoverre acht ik het onderdeel gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64c631085ccca0d525684f8142e33a7c23aab5b9cc37ef614ddf93ecfafe964d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64c631085ccca0d525684f8142e33a7c23aab5b9cc37ef614ddf93ecfafe964d, en de alinea staat in dat document op bytes 20116 tot 21195.