Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002
Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5201.
3.11. Ik kom toe aan bespreking van de klacht dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat verzoeker een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd. Deze klacht is gebaseerd op de eerder in de middelen verkondigde stelling dat er onvoldoende bewijs is en dat de inhoud van het telefoongesprek niet voor het bewijs mag worden gebezigd. Uit het bovenstaande volgt dat naar mijn mening die stelling geen hout snijdt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10, en de alinea staat in dat document op bytes 20061 tot 20495.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10 | shasum -a 256