Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002
Alinea 54 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5201.
Maar naar aanleiding van dit onderdeel wil ik ambtshalve wel op het volgende wijzen. Het is vaste jurisprudentie van Uw Raad dat het tot het bewijs bezigen van een kennelijk leugenachtige verklaring zijn grondslag moet kunnen vinden in de vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in de andere bewijsmiddelen.(10) In casu heeft het hof - blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang gelezen met de nadere bewijsoverweging - vastgesteld dat verzoeker op 5 juni 1995, omstreeks 21.30 uur in de woning van het slachtoffer is geweest en haar daar heeft mishandeld en bedreigd (bewijsmiddel 1, de verklaring van het slachtoffer, AM). Het hof heeft voorts vastgesteld dat verzoeker voor hij zijn - door het hof als kennelijk leugenachtig bestempelde - verklaring aflegde, wist wat het slachtoffer heeft verklaard over het tijdstip waarop het feit is gepleegd en dat hij wist wat zijn vader over zijn - verzoekers - alibi voor dat tijdstip heeft verklaard. Daarbij heeft het hof nog mede in aanmerking genomen dat verzoeker zeer wel eerder had kunnen verklaren over zijn alibi, maar dat niet heeft gedaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10, en de alinea staat in dat document op bytes 20503 tot 21637.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10 | shasum -a 256