Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Alinea 55 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5201.

Hoe het hof de verklaring van de vader van verzoeker, als bewijsmiddel 6 opgenomen, ten grondslag heeft kunnen leggen aan de conclusie dat verzoeker een leugenachtige verklaring heeft afgelegd is niet meteen duidelijk. Op 7 juni 1995 heeft de vader van verzoeker immers verklaard dat verzoeker pas omstreeks 22.30 uur op 5 juni 1995 het privéhuis heeft verlaten. De verklaring van verzoeker is niet in strijd met de inhoud van bewijsmiddel 6. Dat verzoeker klaarblijkelijk zijn verklaring heeft afgestemd op die van zijn vader maakt die verklaring nog niet tot een leugenachtige, tenzij duidelijk is dat de verklaring van de vader van verzoeker op haar beurt óók onjuist is. Dat heeft het hof niet uitdrukkelijk zo in zijn arrest gesteld.(11) Maar ik meen toch dat door de verwijzing naar onder meer de aangifte van het slachtoffer het hof heeft duidelijk gemaakt dat de vader van verzoeker niet de waarheid heeft gesproken en dat verzoeker nadien zich bij de onware verklaring van zijn vader heeft aangesloten. In dat licht beschouwd meen ik dat de bewijsvoering toereikend is gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e0afd66a3e77b761ec4ddcb68d5ccf66e6ebc2c1c5d8f16c78b8d1948971dd10, en de alinea staat in dat document op bytes 21645 tot 22751.