Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5287.

6. Mijns inziens echter ten onrechte gaat het middel er voorts van uit dat de delictsomschrijving van art. 140, eerste lid, Sr slechts vervuld kan zijn indien de verdachte met méér dan één der andere deelnemers aan de organisatie in onderling overleg participeert. De steller van het middel doet daarvoor tevergeefs een beroep op de dissertatie van De Vries-Leemans, die aan het middel in zoverre geen steun geeft. Eveneens tevergeefs beroept hij zich op een conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Remmelink, afgedrukt in NJ 1979, 11, die weliswaar spreekt van "onderling met elkaar te maken hebben" doch daarbij niet stelt dat het te maken hebben van de verdachte met slechts één der andere deelnemers onvoldoende zou zijn; het op die zaak betrekking hebbende arrest van Uw Raad(2) stelt die eis evenmin.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d44dbed406d4bfa19b7d043930310b943547e2f523c9200cb0e89eddc23fe1bd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d44dbed406d4bfa19b7d043930310b943547e2f523c9200cb0e89eddc23fe1bd, en de alinea staat in dat document op bytes 7093 tot 7925.