Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5354.

10) Het is inmiddels niet meer omstreden - ofschoon dat misschien in brede(re) kring wordt betreurd - dat de regel van art. 13.A. lid 9 BMW, die moet worden uitgelegd met inachtneming van het inhoudelijk overeenkomstige art. 7 lid 1 van de Eerste Richtlijn betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lid-staten(11), meebrengt dat "uitputting" van het recht van de merkhouder om zich te verzetten tegen verhandeling van van hem zelf afkomstige gemerkte producten, alleen plaatsvindt met betrekking tot producten die door die merkhouder zelf of met zijn toestemming binnen de EER in het verkeer zijn gebracht. Dat is immers (voor wat betreft art. 7 lid 1 van de Richtlijn) buiten twijfel gesteld in het arrest HJEG 1 juli 1999, Jur. 1999 I, p.4103 e.v., IER 1999 nr. 49 (Sebago/Unic), en voor wat betreft art. 13.A lid 9 BMW nader verduidelijkt bij BenGH 6 december 1999, NJ 2000, 182 (al in voetnoten 8 en 9 aangehaald), zie bijv. rov. 12. Dit uitgangspunt trekt Etos in cassatie ook niet in twijfel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dbc69b365359f0135434a7c7133a361e4e1499dfeec8054585e50df52757ec9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dbc69b365359f0135434a7c7133a361e4e1499dfeec8054585e50df52757ec9c, en de alinea staat in dat document op bytes 13038 tot 14057.