Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5354.

18) De rechtspraak van het HJEG over het begrip "toestemming" in verband met de uitputting van rechten van intellectuele eigendom, bevat verder aanwijzingen dat het enkele feit dat de merkhouder bij het in het verkeer brengen van "zijn" producten geen gebruik heeft gemaakt van beschikbare (contractuele) middelen om de verdere verhandeling daarvan elders binnen de EER te beletten, onvoldoende is om "toestemming" die tot uitputting van dergelijke rechten leidt, op te leveren. Die aanwijzingen worden besproken in al. 5 van de conclusie van A-G Koopmans voor HR 21 april 1995, NJ 1996, 462 m.nt. DWFV. Daar wordt uit de arresten HJEG 9 juli 1985, NJ 1986, 456 m.nt. LWH, HJEG 30 juni 1988, NJ 1990, 321 en HJEG 22 juni 1994, NJ 1995, 480 m.nt. DWFV afgeleid, dat de "toestemming" die tot uitputting van een recht van intellectuele eigendom leidt, het karakter moet hebben van een licentie of een daarmee vergelijkbaar rechtsfeit(20).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dbc69b365359f0135434a7c7133a361e4e1499dfeec8054585e50df52757ec9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dbc69b365359f0135434a7c7133a361e4e1499dfeec8054585e50df52757ec9c, en de alinea staat in dat document op bytes 22418 tot 23367.