Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002

Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5354.

27) Ik wil niet onvermeld laten dat mij ook niet juist lijkt dat een handelwijze zoals hiervóór in alinea's 25 en 26 voor mogelijk gehouden, gemakkelijk en straffeloos zou kunnen worden gepraktiseerd, en dat derden die daarvan de dupe worden daartegen eigenlijk machteloos zouden staan. Die indruk roept Etos in haar verdediging van het hier besproken argument wel op, maar die indruk lijkt mij, als gezegd, niet te billijken. Het hiervóór als hypothese beschreven gedrag van een organisatie als Dior zou, als daar werkelijk sprake van was, kunnen worden onderzocht en gecorrigeerd door de met handhaving van het mededingingsrecht belaste autoriteiten, waaronder de Europese Commissie; en het lijkt mij bij uitstek aannemelijk dat die autoriteiten ook tegen een ergerlijk misbruik zoals dat waarvan in deze hypothese sprake is, zouden optreden, als de gedupeerden aanwijzingen voor het bestaan van dit misbruik zouden kunnen aandragen. Zulke aanwijzingen zouden die gedupeerden tenslotte, ook in het licht van het hiervóór in al. 8 besprokene, gewoonlijk wel moeten kunnen "aanleveren".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dbc69b365359f0135434a7c7133a361e4e1499dfeec8054585e50df52757ec9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dbc69b365359f0135434a7c7133a361e4e1499dfeec8054585e50df52757ec9c, en de alinea staat in dat document op bytes 33476 tot 34582.