Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 61 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5355.

2.10 Aan de stellingen van [eiser] in de memorie van grieven ligt geenszins ten grondslag dat zijn advocaat van de eerste aanleg zich in de feitelijke of juridische betrokkenheid van [eiser] bij de litigieuze koopovereenkomst heeft vergist. [eiser] heeft gesteld dat "hoewel aan de toenmalige advocaat bekend was dat appellant geen feitelijke bemoeienis heeft gehad met de verkoop (...) en daarom ook geen partij was bij de koopovereenkomst, (...) door deze advocaat hierdoor kennelijk toch de belangen van [eiser] uit het oog (zijn) verloren en (...) hij dit essentiële argument niet (heeft) aangevoerd in de procedure in eerste aanleg".(17) Deze stellingen van [eiser] komen erop neer dat zijn advocaat in eerste aanleg een bewust onjuiste verklaring in de conclusie van antwoord heeft opgenomen. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen bewust onjuiste verklaringen echter ook onder het versoepelde regime niet worden herroepen.(18)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a47813c268d19fc6a71390f0307677d2925165b65ec6baaa4997f5bc4fa0fd9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a47813c268d19fc6a71390f0307677d2925165b65ec6baaa4997f5bc4fa0fd9c, en de alinea staat in dat document op bytes 24937 tot 25881.