Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002
Alinea 51 Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5368.
13. Steun voor deze opvatting meen ik voorts te kunnen ontlenen aan art. 126f Sv. Het tweede lid van dat artikel schrijft voor dat de officier van justitie het strafrechtelijk financieel onderzoek sluit, indien de verdachte bij de einduitspraak terzake van het strafbare feit of het misdrijf, bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, Sr niet wordt veroordeeld. Indien voor de toepassing van de maatregel van het derde lid de voorwaarde zou gelden dat het grondfeit zelf wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd, dan was sluiting van het SFO - indien de daarmee beoogde ontneming alleen zou zijn gebaseerd op art. 36e lid 3 Sr - ook geïndiceerd geweest als geen wederrechtelijk voordeel door dat grondfeit valt aan te tonen. De ontnemingsmaatregel van het derde lid zou dan immers niet kunnen worden opgelegd, zodat ook voortzetting van het SFO dan zinloos zou zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c, en de alinea staat in dat document op bytes 18604 tot 19503.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c | shasum -a 256