Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002

Alinea 59 Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5368.

20. De vierde klacht dat de nadere bewijsoverweging in strijd is met bewijsmiddel 3, is in zoverre gegrond, dat in de bewijsoverweging is vermeld dat verzoeker en zijn echtgenote woonden op het adres [a-straat 1], terwijl uit de als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van die echtgenote volgt dat zij op het adres [a-straat 2] woonden. Tot cassatie kan dit echter niet leiden, nu bewijsmiddel 4, inhoudende dat verzoeker in het bezit was van een sleutel van het pand [a-straat 1], 's hofs kennelijke oordeel dat aannemelijk is dat verzoeker toegang had tot het pand [a-straat 1] en dus betrokken was bij hetgeen zich daar afspeelde, zelfstandig kan dragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c, en de alinea staat in dat document op bytes 22265 tot 22936.