Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002

Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5368.

21. De vijfde klacht luidt dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het hof de bewijsmiddelen 7, 7a, 7b en 8 redengevend heeft geacht voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Anders dan waar de klacht van uitgaat, heeft het hof de vermelde bewijsmiddelen niet gebezigd ter ondersteuning van zijn oordeel omtrent de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ter ondersteuning van zijn kennelijke oordeel dat aannemelijk is dat verzoeker andere bronnen van inkomsten heeft gehad dan de in bewijsmiddel 3 genoemde, kort daarvoor stopgezette, uitkering. Dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgekeerd in de vorm van geld dat uit Colombia is binnengekomen, van de familie van verzoeker, acht ik niet onmogelijk, maar dat doet er au fond niet toe. De klacht gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van 's hofs uitspraak, zodat deze faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bba7f23fd1055834a9d6c3b993c8a8e59e6467e898d803d8f73cc9e106ccd14c, en de alinea staat in dat document op bytes 22956 tot 23915.