Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 145 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5809.

27 Als voetnoot noteer ik dat er ten tijde van het beweerdelijk onrechtmatig handelen (de aandelenverkoop) geen aanslag behoeft te zijn. Sterker nog, bij een latente belastingschuld als de vervangingsreserve is er op dat moment sowieso geen aanslag; die komt pas na het verstrijken van de termijn van vier jaar (of eerder, als de inspecteur van mening is dat de BV van haar voornemen tot vervanging afziet). In de visie van de critici is een aanslag van de inspecteur nodig vóórdat de ontvanger de vordering instelt. Volgens het Van Maarseveen-arrest is voldoende dat de aanslag er is op het moment waarop de schade wordt vastgesteld, dus in de schadestaatprocedure. Deze overweging werd waarschijnlijk ingegeven door de vaste rechtspraakregel dat voor het instellen van een vordering, strekkende tot vergoeding van schade op te maken bij staat (art. 612 Rv), reeds voldoende is dat de mogelijkheid dat de eiser schade heeft geleden of zal lijden, aannemelijk is. Hoe dan ook, sedert NJ 1998, 890 is dit opgelost.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880, en de alinea staat in dat document op bytes 78355 tot 79383.