Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5809.

2.18. Het behoeft nauwelijks betoog dat art. 40 Iw 1990 op de onderhavige vordering niet rechtstreeks van toepassing is. Art. 40 regelt één van de gevallen waarin volgens de wet een ander dan de belastingplichtige onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk gesteld kan worden voor de belastingschuld. De Ontvanger heeft in dit geding geen vordering ingesteld op grond van art. 40 Iw 1990. De Ontvanger zou dit ook nooit hebben kunnen doen, gelet op de uitdrukkelijke overgangsbepaling in art. LVII Invoeringswet Iw 1990 en het tijdstip van handelen van FGH c.s. (vóór 1 juni 1990). Het onderhavige geschil betreft een vordering tot vergoeding van de schade die de Ontvanger c.q. de Staat stellen te hebben geleden doordat de invordering bij de belastingplichtige vennootschappen ten gevolge van het onrechtmatig handelen van FGH c.s. niet meer mogelijk is. Dat het hof het verschil tussen een vordering krachtens art. 40 Iw 1990 en een vordering op grond van onrechtmatige daad heeft onderkend, blijkt uit rov. 3.13.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880, en de alinea staat in dat document op bytes 45892 tot 46923.