Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002
Alinea 85 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5809.
2.20. Regering en parlement hebben zich bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 niet met zoveel woorden uitgesproken over de materiële norm die voor verkopers gold in gevallen waarin de vervreemding van de aandelen heeft plaatsgevonden vóór 1 juni 1990. Die lacune is alleszins begrijpelijk. De memorie van toelichting op de Invorderingswet 1990 (blz. 7) ging ervan uit dat tot 1 juni 1990 een gesloten stelsel bestond waarin de ontvanger geen andere middelen tot zijn beschikking had dan die, welke hem uitdrukkelijk in de (invorderings)wet ter beschikking waren gesteld. In een gesloten stelsel, zo was de gedachte, kan de ontvanger helemaal geen vorderingen op grond van onrechtmatige daad instellen. Er was geen jurisprudentie beschikbaar over het lot van vorderingen van de ontvanger tegen verkopers van aandelen, waarin een dergelijke materiële gedragsnorm zou kunnen zijn geformuleerd. In een gesloten stelsel had het zelfs geen zin zich het hoofd te breken over de vraag, welke gedragsnorm geldt voor de verkoper van een aanmerkelijk belang in een vennootschap met vervangingsreserve. De memorie van toelichting dateert uit 1988. De Hoge Raad heeft eerst nadien uitgemaakt dat het gesloten stelsel toch niet in de weg behoeft te staan aan een vordering van de ontvanger op grond van onrechtmatige daad(30). Wel lijkt me duidelijk dat de wetgever van mening was dat een materiële gedragsnorm, zoals omschreven in alinea 2.19, zou behoren te gelden. De wetgever moest daartoe eerst het gesloten stelsel vervangen door een open stelsel van bevoegdheden van de ontvanger. Dat heeft de wetgever gedaan (zie art. 3 Iw 1990). In principe had de wetgever daarmee kunnen volstaan en kunnen afwachten welke materiële gedragsnormen in de jurisprudentie zouden worden ontwikkeld, wanneer de ontvanger na 1 juni 1990 op grond van onrechtmatige daad vorderingen tot schadevergoeding zou gaan instellen tegen verkopers van aandelen. De wetgever heeft de jurisprudentievorming niet willen afwachten. Hij heeft meteen vanaf de inwerkingtreding van de Invorderingswet 1990 vastgelegd willen hebben dat de verkoper van de aandelen hoofdelijk aansprakelijk is voor de belastingschuld van de vennootschap, mits aan de voorwaarden van art. 40 Iw 1990 is voldaan. Deze keuze zegt nog niets over de vraag, of de materiële gedragsnorm die aan art. 40 Iw 1990 ten grondslag ligt reeds vóór 1 juni 1990 kon worden beschouwd als (ongeschreven) geldend recht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880, en de alinea staat in dat document op bytes 48257 tot 50727.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880 | shasum -a 256