Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Alinea 89 Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD5809.

2.24. Bij de behandeling van deze vraag kan ook subonderdeel 2.9 worden betrokken, alsmede het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel dat daarvan het spiegelbeeld is. In de eerste volzin van rov. 3.7 laat het hof de mogelijkheid open dat reeds in 1982 en 1983 een ongeschreven rechtsregel gold waarvan de inhoud overeenkomt met de in appel subsidiair gestelde grondslag van de vordering en met de voorwaarde voor aansprakelijkheid in art. 40 Iw 1990. In het incidenteel middel maken FGH c.s. bezwaar tegen deze eerste volzin van rov. 3.7. Volgens FGH c.s. is het hof in die volzin en in de daarop voortbouwende rov. 3.13 van een te ruime opvatting van art. 1401 (oud) BW uitgegaan. Hiermee ligt in cassatie tevens de vraag op tafel of om een andere reden dan dat de wetgever bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 zulks niet heeft gewild, aangenomen moet worden dat de door de Staat en de Ontvanger gestelde ongeschreven gedragsnorm ten tijde van de litigieuze aandelentransacties (1982 en 1983) nog niet bestond, althans nog niet "in voldoende mate in het rechtsbewustzijn was verankerd". Het incidenteel middel beklemtoont dat het in strijd met de rechtszekerheid zou zijn FGH c.s. met terugwerkende kracht wegens schending van een voor haar destijds onbekende ongeschreven norm te veroordelen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff083676f28b6fa33430462a812abd703eb5ef059a5b1fc855e160edd27a1880, en de alinea staat in dat document op bytes 55468 tot 56791.