Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Alinea 156 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6095.

2.37 Voor de door het onderdeel als uitgangspunt gekozen lezing van het aangevochten oordeel biedt het arrest geen grond. Het aangevochten oordeel berust niet op een vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen, maar op een feitelijke waardering van de eigen rol die elk van die rechtspersonen in de parallelhandel in Jack Daniel's whiskey speelt. Dat het hof de eigen rol van elk van die rechtspersonen (en niet hun onderlinge verbondenheid) beslissend heeft geacht, blijkt in het bijzonder uit de rov. 21 en 22. In rov. 21 concludeert het hof ten aanzien van vijf (mede)verbonden rechtspersonen dat "voorshands te weinig is gesteld om tot de voorlopige conclusie te geraken dat (mede) de thans bedoelde rechtspersonen zich hebben schuldig gemaakt aan de ten processe relevante merkenrechtelijke inbreuken". Ook het twaalfde onderdeel mist feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c8ce92c6cb8ce0122857be67aee816fa3ab58a464215be52441d7c17fa3eb842. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c8ce92c6cb8ce0122857be67aee816fa3ab58a464215be52441d7c17fa3eb842, en de alinea staat in dat document op bytes 70634 tot 71512.