Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Alinea 73 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6095.

1.27 Het hof heeft ten aanzien van de hiervóór onder 1.22 weergegeven grieven geoordeeld dat het standpunt van [A B.V.] c.s. dat Jack Daniel's impliciet toestemming heeft gegeven tot levering aan afnemers binnen de EER, doordat zij de eerste afnemers zodanige levering niet heeft verboden, niet kan worden gevolgd (rov. 4). Voorts heeft het hof geoordeeld dat [A B.V.] c.s. zich niet kunnen beroepen op de onmogelijkheid om na te gaan welke de herkomst van de waren was en om na te gaan of Jack Daniel's toestemming had gegeven deze binnen de EER in het verkeer te brengen. De omstandigheid dat de codes uit de dozen waren gesneden was immers geen beletsel voor [A B.V.] c.s. om de waren te verhandelen, terwijl niet gesteld of gebleken is dat zij op enigerlei manier hebben getracht de herkomst van de waren vast te stellen (rov. 5). Het hof achtte het kort geding niet geschikt om in te gaan op de vraag of Sint Maarten als behorend tot de EER of als derde land moet worden beschouwd. Overigens achtte het hof deze vraag niet van belang, evenmin als de vraag of regels van gemeenschapsrecht in dit verband aan invoerbeperkingen uit hoofde van de communautaire uitputtingsregel in de weg staan, omdat een en ander niet kan afdoen aan de door [A B.V.] c.s. gepleegde merkinbreuk. Slechts een (gering) deel van de bij de (mislukte) beslaglegging aangetroffen zaken was immers voor het eerst op Sint Maarten in het verkeer gebracht (rov. 7). Het hof heeft vervolgens ten aanzien van de niet-communautaire goederen overwogen dat de enkele omstandigheid dat [A B.V.] c.s. deze producten onder de T1 en/of AGP/AGD-status onder zich heeft, onvoldoende is om tot het (voorlopig) oordeel te komen dat [A B.V.] c.s. deze producten niet hebben in- of uitgevoerd of dat zij daarvan geen (ander) gebruik hebben gemaakt in het economisch verkeer als bedoeld in art. 13A BMW. Het feitelijk handelen van [A B.V.] c.s. biedt volgens het hof voldoende aanknopingspunten voor het voorlopig oordeel dat [A B.V.] c.s. zich bezig houden met het gebruik in het economisch verkeer van waren die vallen onder het merkrecht van Jack Daniel's. Volgens het hof staat voorshands genoegzaam vast dat [A B.V.] c.s. de betrokken waren binnen de EER bedrijfsmatig aan derden te koop aanbieden en tot het in de handel brengen daarvan in voorraad houden, en vervolgens ook daadwerkelijk aan de koper afleveren. Als voorbeeld heeft het hof genoemd de levering aan Hydale en gang van zaken bij de mislukte beslaglegging op 12 april 1999, toen [A B.V.] c.s. probeerden de in beslag genomen zaken naar of via Duitsland uit te voeren (rov. 12- 15). Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de hiervoor onder 1.22 weergeven grieven nog overwogen dat (de werking van) art. 13A lid 9 BMW niet botst met communautair mededingingsrecht, waarbij het hof heeft verwezen naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) van 16 juli 1998 (NJ 1999, 392). Voor een verder onderzoek naar een mogelijke botsing met het EG-mededingingsrecht was volgens het hof vanwege het onvermijdelijk declaratoire karakter van een uitspraak daarover in een kort-gedingprocedure geen plaats (rov 16).(9)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c8ce92c6cb8ce0122857be67aee816fa3ab58a464215be52441d7c17fa3eb842. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c8ce92c6cb8ce0122857be67aee816fa3ab58a464215be52441d7c17fa3eb842, en de alinea staat in dat document op bytes 30710 tot 33901.