Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6200.

7. Terecht wijst de steller van het middel er op dat in HR NJ 1990, 453 besloten ligt dat, indien ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de in art. 450, aanhef en onder b Sv bedoelde bijzondere schriftelijke volmacht niet aan de akte is gehecht (althans niet tot de stukken van het dossier behoort), doch de verdachte er op aandringt in zijn hoger beroep te worden ontvangen, de beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van die verdachte in dat hoger beroep ontoereikend gemotiveerd is indien de appèlrechter niet doet blijken te hebben onderzocht of de griffier er bij het instellen van het hoger beroep op heeft gewezen dat overlegging van een bijzondere schriftelijke volmacht vereist was. Zonder een daarnaar ingesteld onderzoek blijft de mogelijkheid open dat het niet op de bij art. 450, aanhef en onder b Sv voorziene wijze instellen van het rechtsmiddel het gevolg is van een niet aan de verdachte toe te rekenen omstandigheid, namelijk een ambtelijk verzuim van de griffier.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9fd73bf03f612093b9c87f89fc4fa7c820cc521e16020766e813176e9121efc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9fd73bf03f612093b9c87f89fc4fa7c820cc521e16020766e813176e9121efc0, en de alinea staat in dat document op bytes 7788 tot 8796.