Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6200.
16. Bij de beoordeling van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden moet voorts als uitgangspunt worden genomen dat in een strafzaak waarin geen toepassing wordt gegeven aan de bijzondere bepalingen voor de berechting van jeugdigen en waarin de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeert, het verstrijken van méér dan vierentwintig maanden in een fase van de procedure (behoudens bijzondere omstandigheden, die een langer tijdsverloop kunnen rechtvaardigen) het moment markeert waarop een redelijk te achten berechtingsduur overschreden raakt, vgl. HR NJ 2000, 721, rr.oo. 3.14 en 3.16, hetgeen ook voor de behandeling in cassatie heeft te gelden, vgl HR 22 mei 2001, griffienr 01957/99.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9fd73bf03f612093b9c87f89fc4fa7c820cc521e16020766e813176e9121efc0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9fd73bf03f612093b9c87f89fc4fa7c820cc521e16020766e813176e9121efc0, en de alinea staat in dat document op bytes 14393 tot 15111.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9fd73bf03f612093b9c87f89fc4fa7c820cc521e16020766e813176e9121efc0 | shasum -a 256