Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 maart 2002

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 26 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6225.

4.4. De stellers van het middel betogen dat een lijk noch een goed noch een persoon in de zin van artikel 141 Sr (oud) is.(4) Daarvoor voeren de stellers argumenten aan die uiteenvallen in twee groepen.(5) In de eerste plaats worden wetshistorische argumenten met betrekking tot de strekking van art.141 Sr in stelling gebracht die hierop neerkomen dat een goed - om onder het bereik van artikel 141 Sr te vallen - aan een ander moet toebehoren en dat een lijk aan dat vereiste niet voldoet. Daarnaast wijzen de stellers van het middel op het bestaan van artikelen die in het bijzonder gedragingen ten aanzien van lijken strafbaar stellen. Nu bij die artikelen niet ook de lijkschennis is strafbaar gesteld heeft de wetgever klaarblijkelijk niet de bedoeling gehad om dergelijk gedrag strafbaar te stellen. Dat brengt, aldus de stellers van het middel, met zich mee dat verzoekers gedragingen niet onder het bereik van een ander artikel van het Wetboek van Strafrecht kan worden gebracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eefac2e7d23368895f31ced8eabe36de5224cd1d3e3ed72f45f2447ad6efcf65. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eefac2e7d23368895f31ced8eabe36de5224cd1d3e3ed72f45f2447ad6efcf65, en de alinea staat in dat document op bytes 14358 tot 15360.