Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 januari 2002

Alinea 11 Parket bij de Hoge Raad 8 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6248.

5. Hieruit volgt dat tussen de datum waarop het beroep in cassatie is ingesteld en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad nog geen 8 maanden zijn verstreken. Van overschrijding van de redelijke termijn door te late inzending is dan ook geen sprake (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH). Voor zover het middel steunt op de opvatting dat voor de beoordeling van de in cassatie op zijn redelijkheid te beoordelen termijn zelfstandige betekenis toekomt niet alleen aan het tijdsverloop tussen het instellen van het beroep en de binnenkomst van de stukken bij de Hoge Raad maar tevens aan dat tussen het instellen van het beroep en de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv en de daaraan gekoppelde uiterste datum voor inzending van een schriftuur, vindt het geen steun in het recht.(1) Naar verwachting zal de Hoge Raad ruim binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest wijzen. Het middel dat kennelijk uitgaat van een foutieve berekening van de inzendingsperiode respectievelijk van een verkeerde opvatting kan niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fb69a0788d39ead96d461c63e6b65d3795fb91cf11053c86b34c191923e66415. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fb69a0788d39ead96d461c63e6b65d3795fb91cf11053c86b34c191923e66415, en de alinea staat in dat document op bytes 5761 tot 6863.