Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6625.

13 Zie bijv. HR 2 december 1994, NJ 1995, 184. Daarbij kan men zich afvragen of de eiser in een zaak die "geliberaliseerde" woonruimte betreft, rekening moet houden met art. 38a HPW (dat voorschrijft dat in procedures terzake van de vergoedingen bedoeld in art. 12, eerste lid, een op de voet van art. 13 of art. 14 HPW verkregen uitspraak moet worden overgelegd). Vermoedelijk is dit niet de bedoeling, omdat art. 38a niet is opgenomen bij de in art. 2 lid 2 HPW genoemde uitzonderingen, en omdat hetzelfde geldt voor het met art. 38a nauw verband houdende art. 13 HPW. De vraag kan echter blijven rusten, omdat blijkens de toelichting bij art. 38a (zie bijv. Handboek Huurrecht (losbl.), Rueb, art. 38a, aant. 3), die bepaling er niet toe strekt te belemmeren dat binnen de bij art. 13 HPW gegeven termijn een procedure aanhangig wordt gemaakt. Per saldo lijkt mij daarom dat de in HR 2 december 1994 gegeven regel voor dit geval nog onverminderd geldt. Zie voorts - alweer - HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 129 m. nt. PAS, rov. 3.6.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/85ee3b8513e2805e3e60013795680fe2f9605a1a2301a6f8a03a4eb9b3a74b06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 85ee3b8513e2805e3e60013795680fe2f9605a1a2301a6f8a03a4eb9b3a74b06, en de alinea staat in dat document op bytes 23393 tot 24437.