Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002
Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6628.
7) De regel waar het hier om gaat, heeft ook goede zin. Als de rechter recht zou (mogen) doen op feitelijke gronden die niet deugdelijk door een procespartij zijn gesteld, is het bijna onvermijdelijk dat de daardoor benadeelde partij geen adequate gelegenheid krijgt om bij zijn processuele standpuntbepaling met de betreffende feiten rekening te houden, en om die daarbij te weerspreken of te weerleggen. Het onderhavige geval is in dit opzicht exemplarisch, omdat argumenten waarmee een beroep op de sommatie van april 1994, als oorzaak van stuiting van de verjaring, hadden kunnen worden weerlegd (stel dat op een en ander een beroep was gedaan) heel goed denkbaar zijn. Zo geldt bijvoorbeeld dat het niet dadelijk in de rede ligt dat de betreffende sommatie beantwoordde aan het vereiste van een door betekening bewerkstelligde aanmaning, zoals art. 1988 BW van de Nederlandse Antillen (evenals art. 2016 van het vroegere Nederlandse BW) dat inderdaad eist(7).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5aeafc482c48263056cf1ca282ccb26f07e136dbe05f8f924473d40424a6b8da. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5aeafc482c48263056cf1ca282ccb26f07e136dbe05f8f924473d40424a6b8da, en de alinea staat in dat document op bytes 8866 tot 9843.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5aeafc482c48263056cf1ca282ccb26f07e136dbe05f8f924473d40424a6b8da | shasum -a 256