Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD6981.

4.3. Ik keer nu terug naar het middel van het OM. Overtreding van het te dezen toepasselijke art. 325 lid 1 WvSrNA is gelet op de inhoud van die bepaling met een maximale gevangenisstraf van vierentwintig jaren bedreigd. Wanneer nu van de presumptie wordt uitgegaan, zoals die althans in het middel in respons op de andersluidende gedachte van het Gemeenschappelijk Hof wordt verkondigd, dat art. 438b lid 1 WvSrNA te dezen van toepassing zou zijn, dan vermag ik niet in te zien welk in rechte te respecteren belang het OM in de onderhavige zaak heeft bij een bespreking van dat middel. Immers, de Procureur-Generaal heeft in hoger beroep twaalf jaren geëist voor de desbetreffende feiten - gelijk aan de minimale straf die zou dienen te volgen uit toepasselijkheid van art. 438b lid 1 WvSrNA - terwijl het Gemeenschappelijk Hof tot de oplegging van veertien jaren gevangenisstraf is gekomen. Aangenomen moet worden dat de hoogte van de strafoplegging, óók bij de presumptie van gegrondheid van het middel van het OM, niet anders zou uitvallen. In wezen richt het middel zich dus enkel tegen de motivering van de straf, niet tegen de beslissing tot het opleggen van de straf van 14 jaren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fea2d1dec20edd546caee9bbb3f5ded8604674d78ea7a16d92158603381b630. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fea2d1dec20edd546caee9bbb3f5ded8604674d78ea7a16d92158603381b630, en de alinea staat in dat document op bytes 14389 tot 15593.