Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 januari 2002

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 22 januari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7021.

17. Het middel berust op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. De overwegingen van het Hof dienen mijns inziens aldus te worden verstaan dat de omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn inverzekeringstelling op 18 mei 1999 een verklaring heeft afgelegd zonder dat hij voordien een advocaat heeft kunnen raadplegen omdat de piketcentrale nog niet van zijn inverzekeringstelling op de hoogte was gebracht, ertoe heeft geleid dat die verklaring overeenkomstig art. 359a, eerste lid aanhef en onder b, Sv van het bewijs is uitgesloten, zodat geen plaats meer is voor strafvermindering conform art. 359a, eerste lid aanhef en onder a, Sv. Dit aldus verstane oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoeft geen nadere motivering.(3)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/78e4e54c2e7648f3dbe33bb84c2f8201e9ea0dd7b9f7ec30b0630f323215c02d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 78e4e54c2e7648f3dbe33bb84c2f8201e9ea0dd7b9f7ec30b0630f323215c02d, en de alinea staat in dat document op bytes 12793 tot 13560.