Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 januari 2002
Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 18 januari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7321.
Een argument om dit niet redelijk te achten is dat ingevolge art. 6:206 BW de artikelen 3:120 BW e.v. van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot onder meer hetgeen daarin is bepaald omtrent de afgifte van vruchten. De opbrengst van verhuur van het bedrijfspand aan derden moet als (burgerlijke) vrucht daarvan worden aangemerkt. Volgens art. 3:120 lid 1 BW komt deze toe aan de bezitter te goeder trouw. Nu in het onderhavige geval sprake was van wederzijdse dwaling, zou deze regeling meebrengen dat de koper deze vruchten na vernietiging van de koopovereenkomst niet behoeft af te staan, zodat zij ook niet door (een analogie met) voordeelstoerekening zouden mogen worden betrokken in de omvang van de gewijzigde verbintenis van de verkoper.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea5bdc1b3f01d73b14ebb6a18f9cfe42862c53a4e51be7585dda44c0900c8954. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea5bdc1b3f01d73b14ebb6a18f9cfe42862c53a4e51be7585dda44c0900c8954, en de alinea staat in dat document op bytes 54034 tot 54803.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ea5bdc1b3f01d73b14ebb6a18f9cfe42862c53a4e51be7585dda44c0900c8954 | shasum -a 256