Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7341.

Art. 108a Rv. oud schreef de rechter niet voor wanneer hij het verzoek diende in te willigen. Volgens Van Rossem-Cleveringa kon de rechter het verzoek daarom afwijzen, indien hij van mening is dat het onnodig is de afwezige of onwillige getuige te horen(8). Ook Star Busmann meent dat de rechter uiteraard een daartoe strekkend verzoek kan afwijzen indien dit in strijd is met de goede procesorde, bijvoorbeeld doordat het blijkbaar moet dienen tot chicaneuze vertraging van het geding(9). Art. 197 Rv. schrijft daarentegen voor dat op verzoek een dag wordt bepaald waartegen een getuige kan worden gedagvaard indien een bij aangetekende brief opgeroepen getuige niet verschijnt. De wet biedt de rechter hierbij naar mijn mening geen discretionaire ruimte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64e13c2e38192ff91135b0a541ec4bfc4b9c21ec46df8668124b57a2156bdfbd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64e13c2e38192ff91135b0a541ec4bfc4b9c21ec46df8668124b57a2156bdfbd, en de alinea staat in dat document op bytes 15491 tot 16260.