Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002
Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 februari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7341.
Van Rossem-Cleveringa neemt overigens ten onrechte aan dat de rechter een nieuwe datum diende te bepalen voor een niet verschenen getuige op grond van art. 116 Rv. lid 2 oud. Dit artikellid heeft slechts betrekking op de kosten: Indien de rechter op grond van art. 108a Rv. oud had bepaald dat de getuige opnieuw moest worden opgeroepen, dan kwamen de kosten voor zijn rekening op grond van dit lid. Art. 108a Rv. was derhalve in het geheel niet overbodig omdat art. 116 lid 2 toch al bepaalde dat opnieuw opgeroepen moest worden. De artikelen vulden elkaar juist aan. Een en ander blijkt ook uit de MvT (Rutgers/Flach/Boon, p. 271 PG nieuwe bewijsregeling) waarin is opgemerkt dat de rechter in art. 204 Rv. een grotere discretionaire bevoegdheid krijgt met betrekking tot de veroordeling in de kosten van het opnieuw dagvaarden dan hem in art. 116 Rv. oud was gegeven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64e13c2e38192ff91135b0a541ec4bfc4b9c21ec46df8668124b57a2156bdfbd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64e13c2e38192ff91135b0a541ec4bfc4b9c21ec46df8668124b57a2156bdfbd, en de alinea staat in dat document op bytes 18619 tot 19507.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/64e13c2e38192ff91135b0a541ec4bfc4b9c21ec46df8668124b57a2156bdfbd | shasum -a 256