Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7342.

14) De hierboven besproken uitgangspunten geven al enigszins aan waarom de vaststelling van de aan een uitvinder-werknemer toekomende vergoeding met recht lastig mag worden genoemd(15). Een eerste reden daarvoor is, dat zich - zoals zo vaak in het recht - een bonte verscheidenheid aan gevallen aandient, met telkens andere omstandigheden. Een aantal van de relevante (variabele) omstandigheden ligt voor de hand: de positie van de betrokken uitvinder-werknemer in de organisatie, en zijn daarmee verband houdende honorering; de aard en het belang van de uitvinding (waarbij zowel aan de mate van inventiviteit als aan het geldelijke belang kan worden gedacht, maar waarbij vermoedelijk (ook) rekening moet worden gehouden met de specifieke voordelen of beperkingen die in verband met toepassing van deze uitvinding door deze werkgever gelden); het gewicht van de bijdrage van de uitvinder-werknemer aan de uitvinding (in verhouding tot het gewicht van de bijdragen van anderen, of van voor rekening van de werkgever komende omstandigheden) - waarbij men , als illustratie van de moeilijkheidsgraad, zich kan afvragen of een bij toeval gedane uitvinding (zoiets is geen buitengewone zeldzaamheid) nu vooral moet worden toegerekend aan de werknemer die daarop attent werd, of aan de werkgever binnen wiens muren het toeval plaatsgreep(16),(17).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/901d147269aab3e8df133e098be7bf77078e78657d36860386faa05726fdcb95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 901d147269aab3e8df133e098be7bf77078e78657d36860386faa05726fdcb95, en de alinea staat in dat document op bytes 16657 tot 18013.