Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7342.

17) Een reden temeer om er zo over te denken als in de vorige alinea verdedigd, bestaat hierin, dat in de praktijk is gebleken dat bij de honorering van uitvinders-werknemers maar hoogst zelden rekening pleegt te worden gehouden met de kans dat deze een octrooieerbare uitvinding doen, en vervolgens de aanspraak op octrooi aan de werkgever moeten laten. Het blijkt zo te zijn dat er in de praktijk voor deze factor geen afzonderlijke component in de honorering wordt "ingebouwd"(20). Dat is ook niet zo verrassend, als men zich er rekenschap van geeft dat het een betrekkelijk zeldzame uitzondering is, dat uitvindingen worden gedaan - dat men het toegepaste honoreringsysteem niet op zulke zeldzame uitzonderingen afstemt, ligt dan enigszins voor de hand.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/901d147269aab3e8df133e098be7bf77078e78657d36860386faa05726fdcb95. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 901d147269aab3e8df133e098be7bf77078e78657d36860386faa05726fdcb95, en de alinea staat in dat document op bytes 20375 tot 21145.